Historie Melkvervoer
CS De Eersteling Brielle

COÕPERATIEVE STOOMZUIVELFABRIEK 'DE EERSTELING' BRIELLE

Coöperatieve Stoomzuivelfabriek "De Eersteling" , Scharloo - Brielle
14 december 1896 - 12 oktober 1934


Bronnen: Vereniging Vrienden van het historisch museum Den Briel; Auteur Henk Vechter Brielle -Rebecca van Rij Utrecht - Dago Hendrkson: Brielle -

melkvervoer van vroeger tot nu

De Coöperatie


Melkveehouders uit diverse plaatsen op het eiland Voorne kwamen op 27 april 1896 bij elkaar in Brielle om te besluiten tot de oprichting van een coöperatie voor de verwerking van melk tot roomboter. Tot dat moment gebeurde dat veelal nog op de boerderij. De leden van de coöperatie waren niet allemaal grote veehouders. wat te denken van C.de Snayer uit Vierpolders met slechts een koe in de winter, en drie in de zomer. De start was zeer voortvarend, in mei waren de statuten en een huishoudelijk regelement klaar, en in juli werd het eerste bestuur officieel gekozen.

Er werd in 1896 besloten een stuk grond achter het Scharloo, nabij het bastion IV, te kopen. De eigenaar, de heer Lageweg, ging akkoord met het bod van ƒ1000.00. Voor de bouw van een melkfabriek was echter veel meer geld nodig. De voorlopige begroting liep op een totaal van ƒ14.500; ook dit bleek geen belemmering te zijn, en in augustus van dat jaar vond de aanbesteding plaats. De eerste steenlegging door de heer

J. Snoey uit Rockanje vond plaats in september, en de opening van de fabriek volgde op 14 december 1896.

Het is tegenwoordig eigenlijk niet te geloven dat in slechts negen maanden een complete fabriek kon worden gebouwd. In de huidige tijd kost het al vele jaren om alleen al alle vergunningen binnen te krijgen. Overigens kwam de eerste steenlegging enkele jaren later nog ter sprake. Toen Snoey zijn bestuursfunctie neerlegde, stelde hij het bestuur voor, dat er een steen zou worden ingemetseld, waarop gememoreerd zou worden wanneer, en door wie, de eerste steen was gelegd. Het bestuur vond het een goed plan, mits Snoey zelf die steen zou laten maken; dan zou het bestuur er vervolgens zorg voor dragen dat de steen geplaatst zou worden. In het gebouw is tot op heden geen gedenksteen [meer] te vinden.....

Het Bestuur


De coöperatie was bestemd voor heel Voorne, althans voor de toenmalige gemeentes Brielle, Vierpolders, Rockanje, Oostvoorne en Nieuwenhoorn. Die gedachte kwam ook tot uitdrukking in de samenstelling van het voorlopige bestuur. Uit elk van die gemeentes werden twee leden benoemd in het voorlopige bestuur. Het tijdelijk voorzitterschap kwam in handen van Jan Snoey, die algemeen als voortrekker van de gehele onderneming werd beschouwd. In juli 1896 werd het definitieve bestuur gekozen. Dat bestond uit drie personen, en daarnaast werden er nog eens vijf commissarissen benoemd, waarbij hun woonplaats geen rol speelde. Tot definitief voorzitter werd M.L. Veenenbos uit Brielle gekozen.

Bouwtekening van de winkel annex melksalon 1918

“De Eersteling”


De nieuwe melkfabriek kreeg de naam "De Eersteling". In de toespraak van de voorzitter ter gelegenheid van de eerste steenlegging, werd deze naam nader toegelicht. De spreker bracht in herinnering dat op een gehouden vergadering door een belangstellend deelnemer het voorstel werd gedaan de fabriek een naam te geven en hij wist geen beter naam daarvoor te bedenken dan "De Eersteling". Waarom ? Omdat in 1572 Brielle de eerste stad is geweest die het Spaanse juk afschudde en later zich weder vrij maakte van de "Fransche Overheersching" En nu, zo sprak hij, zal de eerste melkfabriek op het eiland Voorne te Brielle worden opgericht, en het is daarom dat door mij wordt voorgesteld de melkfabriek zo te noemen. Dit voorstel werd met een daverend applaus begroet en vervolgens aangenomen.

Vergaderingen


De leden waren het er over eens dat er streng op de kwaliteit van de melk moest worden gelet. Daarbij stuitte men weldra op de voeding van de koeien. Er waren melkveeboeren die hun koeien lijnzaad en koeken gaven. Dit beïnvloedde de smaak van de melk en daarmee ook die van de boter zeer nadelig. In de vergaderingen werden deze en andere problemen uitvoerig besproken. Wat bijvoorbeeld aan te vangen met de ondermelk, het product na het afromen van de melk. Er zou kaas van gemaakt kunnen worden, maar daarvoor ontbraken de nodige spullen. Uitventen langs de deur voor 1½ cent de liter was een mogelijkheid, maar er was geen venter. Voorlopig werd besloten dat de melkveeboeren de ondermelk moesten terugnemen. In 1898 werd een poging ondernomen om de ondermelk te verkazen, maar de daarvoor aangetrokken kaasmaker hield het al weer snel voor gezien, waarna de productie werd gestaakt.

Tot directeur werd Otto Bolhuis benoemd. Hij had de dagelijkse leiding en verrichte deze taak tot ieders tevredenheid. Een voorstel van het bestuur om na enige jaren zijn salaris met ƒ 200.00 te verhogen tot ƒ 1400.00 maakte echter in de ledenvergadering de tongen los. Er werd genuanceerd over gesproken, de een was ronduit tegen, een ander vond ƒ 1300.00 genoeg, en weer een ander wilde het bestuur volgen. Volgens goed vaderlands recept werd de gulden middenweg gevolgd. Het salaris werd verhoogd tot ƒ1300.00. Klachten waren er ook, het lid Nieuwland strooide praatjes rond als zou de directeur het vetgehalte van de melk niet goed bepalen. Het bestuur nam toen zelf monsters van de melk van Nieuwland en voerde de controle uit, de uitslag daarvan gaf aan, dat de metingen van de directeur juist waren.

Uitbreiding


Het ging de melkfabriek de eerste jaren zeer voor de wind. De kaasmakerij kwam alsnog van de grond en kon allengs worden uitgebreid, en ook de fabriek zelf werd weldra te klein. Toen in 1906 de tramverbinding tussen Spijkenisse en Oostvoorne voltooid was, speelde men zelfs met plannen om de hele melkfabriek te verplaatsen naar het Ravelijn waarin het tramstation was gelegen. Voorzitter Veenenbos en de directeur gingen het terrein nabij de tramhalte opmeten, en polsten vervolgens bij de RTM [Rotterdamsche Tramweg Maatschappij] of er bezwaar bestond tegen een vestiging van de melkfabriek. Het Ravelijn was echter eigendom van het Ministerie van Oorlog, en dat wilde absoluut geen melkfabriek in het schootsveld. Ook een poging van het bestuur om door middel van voorspraak van de minister van landbouw toestemming tot bouw te verkrijgen, bleef zonder succes. Het antwoord was en bleef nee.

Modernisering


In de loop der jaren werd de botercontrole strenger. Vooral de koeling van de melk was in Brielle een zwak punt; er was weliswaar een ijskelder, maar die was in de zomermaanden leeg. In 1910 werd daarom naast een nieuwe stoommachine, ook een machine voor ijsbereiding aangeschaft. Er was langdurig over nagedacht, en daarbij werd er tevens nagedacht aan de verkoop van ijs. Slagers uit de omgeving en ook het Groene Kruis, hadden al interesse getoond. Voor een blok ijs van 20 kilo kon de fabriek 30 cent in rekening brengen. Het bestuur kon dan ook met een gerust hart een lening aangaan van ƒ 7.000.00.

Uitstapje


De leden konden tevreden zijn, en tijdens de jaarvergadering van 1914 besloten zij, om zichzelf maar eens te verwennen. Het positieve saldo van de rekening bedroeg ƒ 300.00. Met algemene stemmen werd het goed gevonden om met dit bedrag een gezellige dag per speciale boot naar Rotterdam te bekostigen om aldaar een 'variatie' [zo zeggen de notulen, maar bedoeld zal zijn een variété] te bezoeken. ‘s Nachts om twee uur keerde het gezelschap terug naar Brielle.

RTM tramstation Brielle met melkwagon - 1915

Oorlog


De samenwerking met de RTM verliep al even voorspoedig. De maatschappij had een speciale wagon aangeschaft waarmee de melk naar Rotterdam kon worden vervoerd. De Eerste Wereldoorlog beïnvloedde de afzet op verschillende manieren. Zo steeg de melkprijs door de oorlogssituatie, maar de overheid voerde een z.g. 'oorlogswinst'-belasting in. Daarbij moest de melkventer goed gecontroleerd worden, omdat de hoge prijs van de melk het aanlokkelijk maakte om de melk te verdunnen met water. Uiteindelijk kwam de roomboter op de bon.

De melksalon


Na de moeilijke oorlogsjaren trachtte directeur Bolhuis het bedrijf een nieuwe impuls te geven. Hij wilde bovendien af van het geloop naar de fabriek voor melk en karnemelk. Hij kocht in 1918 het pand aan de Nobelstraat 33, dat hij vervolgens ingrijpend liet verbouwen en geschikt maken als winkel voor de verkoop van melk en melkproducten. Een bevriende architect uit Assen had het ontwerp gemaakt. Het voortvarende optreden van de directeur was wel even slikken voor het bestuur; vooral ook, omdat het ook het woonhuis was van Bolhuis. Maar men besloot om er in mee te gaan en de coöperatie huurde de winkel van Bolhuis. Op de bovenverdieping was een heuse melksalon gepland, alwaar men een glaasje melk kon drinken. Op zaterdag 5 april 1919 werd het geheel verbouwde pand geopend. Nog steeds siert de naam "De Eersteling" de voorgevel.

De melksalon bleek in een grote behoefte te voorzien. Zo werd voor het houden van gezellige avonden een piano aangeschaft; er werden voordracht-avonden gehouden en ook werd in deze melksalon op 2 augustus 1919 de Brielse Voetbal Vereniging opgericht, de voorloper van voetbalvereniging WRW. In 1921 vierde men het 25-jarig bestaan van de fabriek, Men kon terug kijken op afwisselend succesvolle, maar ook moeilijke jaren, en men zag de toekomst met vertrouwen tegemoet.

Toenemende concurrentie


In de daarop volgende jaren ging het echter minder goed met de melkfabriek en winkel. Met de melksalon ging het slecht, en de zaak moest in 1926 de deuren sluiten. Directeur Bolhuis vertrok naar Den Haag van waaruit hij liet weten, [kennelijk had hij toen nog banden met de handel] dat "De Eersteling" de verkoop van de roomboter had overgedaan aan W. Noordermeer Hz. De concurrentie nam toe in de persoon van Willem Idaniël van Rij, die in 1927 de ijsfabriek annex ijsfabriek "De Nieuwe Brielsche" had geopend. Deze melkinrichting stond buiten de vestingwallen, nabij het tramstation op het Ravelijn, waar het bestuur van "De Eersteling" ooit een nieuwe melkfabriek had willen bouwen. De neergang zette nu bijzonder snel in en in de plaatselijke kranten verschenen steeds meer advertenties van "De Nieuwe Brielsche". Maar er was ook een gemeenschappelijke bedreiging: de opkomst van margarine. Dit goedkope alternatief voor de Brielsche roomboter, was desastreus voor beide melkfabrieken. In1928 moest "De Eersteling" zijn poorten sluiten; dit na wat in 1896 zo flink en fier begonnen was...


Willem Idaniël van Rij heeft tot 1921 de boerderij "Lindehof" in Rockanje beheerd. Omdat het een huurboerderij was, en mevrouw van Andel er iedere keer een gedeelte van verkocht, bleef er niet veel over om van te bestaan. De boerenschuur is nog verkocht aan Van Marion te Brielle, een korte dikke man, hij woonde aan de Kaaiesingel, daar is de boerenschuur weer opgebouwd. Daarna is Willem verhuisd naar Brielle, naar het Maarland N.Z. Beneden woonden zijn zusters Marie en Jannie. Samen met zijn compagnon Willem de Vos uit Brielle runde hij een zuivelfabriekje aan de Langestraat. Daar dit niet voldeed, is hij enkele jaren daarna voor zichzelf begonnen. Hij liet een huis, zuivel- en ruw ijs-fabriek bouwen, "De Nieuwe Brielse" op de Zuiddam, [In 1973 de Pieter van de Wallendam] bij het toenmalige RTM tramstation "Ravelijn". In 1927 werd het bedrijf overgenomen door "Galak", een Rotterdamse concurrent. De eerste jaren waren voorspoedig, maar in de crisisjaren van de jaren ‘30 werd het minder. In 1935 werd alles onteigend door de provincie Zuid-Holland voor de aanleg van de Groene Kruisweg. Het woonhuis is tot 1 maart 1975 blijven staan, en heeft gediend als dienstwoning voor het districtshoofd C. de Ruiter, en als kantoorruimte voor het district Voorne-Putten van de Provinciale Waterstaat. Na bijna 40 jaar was de zuivelindustrie in Brielle voorgoed verdwenen.


Van Rij’s vrouw Leuntje, die in 1935 weduwe was geworden, is na enkele maanden met haar gezin eerst tijdelijk verhuisd naar het Dijkje, en daarna naar het Koeslop [in 1973 werd dit de Coppelstockstraat]. Hier werd een zuivelfabriekje gebouwd met winkel, voor de verkoop aan huis, om zo weer alles in het klein voort te zetten. Haar oom Dirk uit Leerdam heeft Leuntje met haar gezin in die periode veel bijgestaan. De zonen Willem en Pieter hebben zich gevestigd met de ruw-ijsfabriek aan de Brigitteweg te Brielle. Na de Tweede Wereldoorlog zijn beiden geëmigreerd naar respectievelijk Nieuw-Zeeland en Canada.


Geplaatst: 16 augustus 2012


Vol trots presenteerde directeur O. Bolhuis van "De Eersteling" op 28 januari 1911 aan het bestuur en leden een nieuwe stoom-ijs en koelmachine.


klik op afbeelding voor vergroting.

Klik op de button

om de kranten

advertenties te lezen

Terug naar boven ↑

Pagina 31 - 07

Zuivellocaties Brielle 1896 - 1935


S - Scharloo - Coöperatieve Stoomzuivelfabriek "De Eersteling"

N - Nobelstraat 33 - MelksalonL - Langestraat - Zuivelfabriekje

P - Zuiddam [later Pieter van Wallendam] "De Nieuwe Brielse"

C - Koeslop [later Coppelstockstraat] - Zuivelfabriekje met winkel

B - Brigitteweg - Ruwijs fabriek